Vrij zijn

Vrij zijn

Op het dak van het hotel tuur ik naar de horizon. Het is nog vroeg in de morgen. Ik ril. Het is kouder dan ik gedacht had. Ik had een jasje mee moeten nemen. Maar is dat niet de rode draad in mijn leven? Dat ik dingen altijd nét verkeerd inschat? Dat ik bijvoorbeeld mensen feliciteer met een gebeurtenis waarmee ze eigenlijk niet zo blij zijn en condoleances beter op zijn plaats geweest waren? Of ligt het niet zozeer aan mijn magere inschattingsvermogen, maar zit het leven me doelbewust uit te dagen. Of misschien ben ik wel gewoon dom? Dat heb ik immers maar al te vaak gehoord. ‘Tine, je bent net zo dom als de achterkant van een varken. Tine, jij hoeft niet door te leren, zorg jij maar dat je tenminste nog een beetje een goede huisvrouw wordt.’ Het zijn de woorden van mijn moeder. Ze is al jaren dood, maar haar woorden hoor ik nog iedere dag.

Mijn hersenen registreren het gezang van een vogel en eventjes krijg ik een warm gevoel. Even maar. Het gezang dat zo rondborstig en enthousiast begon, eindigt abrupt. Ik kijk over de reling en zie nog net hoe de vogel wegvliegt. Eenzaamheid overvalt  me. Zelfs een vogel vliegt nog liever weg dan dat hij voor mij zijn lied zingt, bedenk ik somber.

Terwijl ik zo naar beneden kijk, begint het me te duizelen. Dit is echt hoog! Het is alsof ik naar de reling toegetrokken word. In mijn hoofd zegt een stem: ‘kom maar Tine, stap over die reling en laat je gaan. Dan ben je bevrijd van al hetgeen je bezwaart. Kom dan, kom dan, KOM DAN!! De stem zwelt aan en ik schud angstig mijn hoofd. Tegelijkertijd zet ik een paar passen terug. Weg van die reling. Mijn handen houd ik stevig tegen mijn oren. Weg met die stem. ‘Ga weg!’ schreeuw ik zo hard ik kan. Het werkt. De stem is verdwenen. Ik heb gewonnen, ditmaal.

Ik tuur weer naar de horizon en ik ben getuige van een prachtig schouwspel. De zon komt op. Een ronde vuurbal baant zijn weg naar boven. Ik hou mezelf voor dat ik die vuurbal ben. Stoer en onverzettelijk. Zo zou ik willen zijn. Maar zo ben ik niet. Ik ben slechts Tine. Tine die geen goede huisvrouw bleek te kunnen zijn. Hoe vaak had mijn man mij wel niet toegeroepen dat ik nog geen ei kon bakken? Dat hij liever van huis was dan bij mij? Tine die het zelfs niet voor elkaar kreeg om kinderen op de wereld te kunnen zetten. Een niksnut, een dwaas, een vrouw waar je niets aan had. En daarom had mijn man bij een tweetal andere vrouwen zijn heil gezocht en zij gaven hem datgene wat ik niet kon: kinderen. Vreselijk vond ik dat. Ik wist niet meer hoeveel uren ik hierover gehuild had, stilletjes uiteraard. En om het voor mij nog erger te maken, woonden we met z’n allen – als one big happy family – in hetzelfde huis.

De vuurbal is ondertussen geheel tevoorschijn gekomen en de zonnestralen verwarmen mijn gezicht. Drogen mijn tranen die ik blijkbaar had laten stromen. Ik proef het zout bij mijn mondhoeken. Met een wild gebaar strijk ik met mijn handen over mijn gezicht. Weg met die tranen! Ver beneden me ontwaakt de stad. Heel in de verte hoor ik het verkeer op gang komen. De eerste mensen gaan al op weg naar hun werk en over een half uur zouden de eerste files alweer ontstaan. Een dag als zovele. Maar niet voor Tine. Voor mij is vandaag het begin van de rest van mijn leven. Gisteren had ik een besluit genomen. Toegegeven, ik had er twintig jaar over gedaan, maar het besluit was er dan toch maar. Vanaf vandaag zou ik gelukkig worden met mijzelf. Ik was het zat om mijn man van zijn eeuwige flesjes bier te voorzien. Ik wilde niet meer voor dom uitgemaakt  worden.

Gisteravond was er iets in mij geknapt. Bij het zoveelste commando van mijn man en diens tweede vrouw (of was het nou zijn derde vrouw geweest?) was ik heel rustig opgestaan en naar de schuur gelopen.Daar had ik het geweer voorzien van kogels en was weer naar binnen gegaan. Eenmaal binnen schoot ik eerst mijn man neer. Als ik mijn ogen dichtdeed, kon ik zich nog zijn onaangenaam verraste gezicht voor de geest halen. De adrenaline stroomde door mij heen en zonder woorden had ik iedereen in het huis neergeknald als ware het makke lammeren. Man, vrouwen en kinderen. Weg ermee, had ik gedacht. Nutteloze wezens waren het.  Vanaf nu waren de rollen omgekeerd en het gaf me een immens tevreden gevoel.Voor het eerst in jaren voelde ik me oppermachtig en er eindelijk toe doen. Tine was toch zo stom nog niet.

Daarna had ik  vlug wat kleren bijeen geraapt en deze – samen met wat toiletartikelen – in een koffer gepropt. En nu ben ik hier. Op het dak van een hotel in een stad waar ik nog nooit geweest ben. Om eerlijk te zijn, heb ik geen idee hoe deze stad heet en het doet er ook niet toe. Ik ben vrij. Dat is wat telt. En ik heb toch maar mooi laten zien dat ik niet stom ben. Want stomme mensen wisten niet stiekem te verdwijnen nadat ze een bloedbad hadden aangericht, toch?

De zon is weer hoger gekropen. Wat zou daar achter de horizon zijn? Zou ik daar het geluk kunnen vinden? Een man die mij wel accepteert zoals ik ben; een slechte huisvrouw en niets waard in bed? Ergens moet toch een man rondlopen die daar geen waarde aan hecht? De paniekaanval die me overvalt is gemeen en onaangekondigd. Ik voel het zweet over mijn rug naar beneden lopen. Mijn hoofd doet genadeloos veel pijn.

En dan hoor ik de stem weer. De stem die mij gerust stelt, die mij troost maar die mij ook angst inboezemt. ‘Kom Tine, pak mijn hand en ik zal je leiden.’ Langzaam kom ik overeind en steek voorzichtig mijn arm uit in de richting van waar de stem vandaan komt. ‘Goed zo, ik heb je vast,’ zegt de stem tegen mij.Voorzichtig loop ik naar voren, richting de reling. Met kleine pasjes met mijn arm nog steeds uitgestoken. Dan hoor ik hem plotseling weer: de vogel. Hij is terug! Teruggekomen om zijn lied voor mij te zingen. Zie je wel. Ik ben het waard. Opgetogen versnel ik mijn pas en kijk over de reling naar beneden. Maar waar is hij nou? Ik hoor hem toch? Ik moet hem zien. Ik moet ervaren, nee, ik moet zien dat de vogel voor mij zingt. Ik ren naar de andere kant van het dak.

Net voordat ik vaart wil minderen, struikel ik. Waarover? Waarover ben ik nu toch gestruikeld? Het doet er niet meer toe. Ik val over de rand en terwijl ik naar beneden val, zie ik een aantal verdiepingen lager de zingende vogel op een balkon zitten. Zie je wel! Ik ben het waard. De vogel zingt wel voor mij, voor Tine. Daarna raakt mijn lichaam het trottoir. Op de grond ligt een geknakte gedaante met vreemd genoeg een gelukzalige glimlach.

Tine is vrij.